The Battle of Isandlwana
“Wet With Yesterday’s Blood”
Tegen het eind van de eerste week in januari 1879 stond het Britse kamp opgesteld op de Helpmekaar Ridge, met uitzicht over de grens tussen de British Colony of Natal en het zelfstandige Zulu Koningkrijk.
De 1st Ballion officieren van het 24th Regiment inviteerden de officieren van het 2nd Battallion voor het middagmaal. Beiden regimenten waren deel van het leger dat verzameld was rond Zululand; de grens, de Mzinyathi Rivier (het water van de buffel) meandert door de vallei aan de voet van de heuvel.
Het was ongewoon voor twee bataljons om samen te legeren in hetzelfde gebied. Volgens het Britse systeem van de jaren 1870 dienden bataljons in een soort rotatiesysteem, dat betekende dat het ene bataljon in Engeland tijd doorbracht in het depot en het andere ergens in het buitenland. Door de groeiende koloniale problemen in het Britse Imperium werd er steeds meer van dit systeem afgestapt.
De twee bataljons van het 24st kwamen afzonderlijk in Zuid-Afrika aan, en ondanks hun strijd in de 9e Kaapse Grensoorlog (the War of Ngcayecibi' - 1877/78), tegen de amaXhosa bevolking, hadden ze nooit aan elkaar zijde gevochten. Deze keer gingen ze voor het eerst in de geschiedenis van het regiment samen een campagne voorbereiden tegen de Zulu's.
Het regiment had bovendien rond die tijd iets te herinneren, namelijk op 13 januari 1849, 30 jaar voor die tijd, vocht het regiment een bloedige strijd tegen het Sikh leger van Chillianwallah in India. Het 24e regiment kreeg toen de orders om het artillerievuur van de Sikh met de bajonet op het geweer tegemoet te gaan met als resultaat dat 500 officieren en manschappen sneuvelden of gewond waren.
De kleuren van het regiment, hun symbool en trots tegenover de Queen hadden ze toen verloren.
Een paren dagen later zou geen enkele officier van het 1st Battallion zich nog het diner herinneren want ze verloren het leven in Isandlwana, enkele mijlen aan de andere kant van de grens in Zululand, samen met 5 officieren naast hen van het 2nd Battallion, 1300 Britse soldaten (waaronder ook onder hen Zulu's en kleurlingen) en 1000 Zulu's. Het slagveld lag er ook bezaaid met honderden karkassen van paarden, ossen, muilezels en honden. Een Zulu veteraan jaren later het volgende commentaar geven “the green grass was red with the running blood and the veld was slippery, for it was covered with the brains and entrails of the killed”.
De Battle of Isandlwana was één van de ergste vernederingen van het Britse leger tijdens het Victoriaanse tijdperk. De part-time soldaten en herders van het kleine nauwelijks bekende Afrikaanse koninkrijk werden plotseling wereldwijd getransformeerd in het stereotype van krankzinnige, wilden en onbegrijpelijke, een dogma dat tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat.
Terzelfdertijd betekende Isandlwana ook de totale vernietiging van het Zulu Koninkrijk. De Britten hadden zelfs geen zin om vrede te sluiten alvorens hun militaire eer opnieuw gered zou zijn op het slagveld.
De Britse nederlaag was geen 1 enkele tactische blunder maar een combinatie van misverstanden, misrekeningen en ook enorm veel pech. De Zulu overwinning aan de andere kant was te danken aan het tactisch inzicht, de agressieve geest van de krijgers en rauwe moed tegenover een leger dat toen moderne massa vernietigingswapens had.
De Britse bevelhebber in Zuid-Afrika, Lieutenant-General Lord Chelmsford, had beslist om Zululand zo snel mogelijk binnen te vallen in drie offensieve vlagen en daarbovenop nog twee ondersteuningen. Het was de bedoeling om het politieke en militaire systeem van de Zulu van de kaart te vegen in een zo kort mogelijke tijd en het oprichten van een confederatie. Uiteindelijk was het dus de bedoeling om drang naar koloniale macht uit te breiden door Afrikaanse koninkrijken en Boer republieken onder de Britse vlag te brengen.
De Britten boden de Zulu koning, Cetshwayo kaMpande, in december 1878 een ultimatum aan. De koning moest zijn hele militaire eer en sociale structuur opdoeken en zich onderwerpen aan de Britten. Natuurlijk deed een onafhankelijke staatsleider dit niet en het ultimatum verliep tenslotte op 11 januari 1879 met als gevolg dat Chelmsford Zululand binnenviel.
De Britse legers gingen in die tijd hun koloniale campagnes met te weinig soldaten tegemoet, dat was ook het geval voor Chelmsford. Zijn drie offensieven met niet meer dan twee infanterie bataljons, op zijn sterkst 800 man en wat artillerie ondersteuning. Veel troepen waren geronseld onder de zwarte stammen die rivaliseerden met de Zulu's, vrijwilligers en ongeregelde troepen die her en der geronseld werden.
Chelmsford zelf had het bevel over het centrale offensief en daalde de Helpmekaar heuvels af tijdens de eerste week van januari en kruiste de grens met Zululand bij rork's Drift.
Lord Chelmsford was een ervaren krijgsman rond 50 jaar oud. Hij had onder andere zijn strepen verdiend tijdens de Kaapse Grensoorlog (tegen de Xhosa) die even uit de hand begon te lopen en door zijn toedoen weer rechtgezet werd. Zijn inlichtingendienst dacht dat de Zulu tactiek en de Xhosa tactiek niet veel van elkaar verschillen. De Xhosa's hadden een guerrilla tactiek toegepast, blitsaanvallen en opnieuw weg. Lord Chelmsford dacth dat de Zulu's hetzelfde zouden ondernemen. Zijn strategie met drie offensieven was om King Cetshwayo’s in zijn hoofdstad, oNdini (Ulundi), in een hoek te drijven zodat de Zulu's geen andere keus zouden krijgen om het gevecht rechtstreeks aan te gaan.
De invasie verliep vlot, Chelmsford nam zelf op 12 januari deel aan de aanval tegen Chief Sihayo kaXongo in de Batshe vallei. Sihayo’s krijgers waren betrokken in grensincidenten tegen de troepen van Chelmsford's maar moesten al snel het onderspit delven. De Britten voelden zich oppermachtig en wat ze niet wisten is dat King Cetshwayo's zijn tactiek rustig kon voorbereiden.
De raadgevers van de koning waren als het ware verlamt nadat het ultimatum verstreken was, in feite wachtten ze de eerste zet van de Britten af maar na de aanval op Sihayo's leger kwamen ze in actie.
De amabutho - een regiment op leeftijd werd opgeroepen moest de ceremonies nodig om ten strijde te trekken ondergaan. Chelmsford’s aanval op Sihayo deed het de middelste invasie (onder leiding van Chelmsford) het meest gevaarlijke lijken. De amabutho, a totaal van waarschijnlijk 23,000 mannen werd uitgezonden vanuit oNdini op 17 januari om Chelmsford rechtstreeks aan te vallen.
In feite was te troepen vooruitgang van Chelmsford tergend traag vanwege de schermutselingen aan de grens en hij volgde een oude handelsweg tussen Rorke's Drift en Ndini. De weg was bovendien niet echt geschikt voor zijn bevoorrading van meer dan 300 ossenwagens. Daarinboven kwam nog de slechte weersomstandigheden. Na een lange droogte periode van verscheidene seizoenen volgden de normale zomerregens. Gedurende de dag was het heet en in de late namiddag volgde onweer en het traject veranderde snel in een modderpoel. Tegen 20 januari was hij in staat om de afstand tussen Rorke's Drift en Isandlwana te overbruggen.
Isandlwana is tot de dag van vandaag een erg mysterieuze plaats, een zandsteenrots, de Sfinx, staat 300 voet hoog boven de vlakte, afgesloten van de wind en regen in de iNyoni heuvels in het noorden. Het spel van licht is er elke dag anders, in de avond het purper licht dat een zomerstorm aanmeldt met op de achtergrond de sinistere rots.
Chelmsford richtte zijn kamp op aan de voet van de berg, een perfecte locatie met uitzicht over verscheidene mijlen in de richting van oNdini. Bij aankomst werd hij reeds ingelicht dat het Zululeger op komst was. Hij was vrij gerust over de linkerflank en vooraan maar maakte zich wel zorgen over de heuvels - Hlazakazi en Malakatha - die rechts het zicht ontnamen. Achter deze heuvels een reeks heuvels en valleien en dat zou net in het voordeel zijn van het Zululeger. De volgende dag, op 21 janauri, stuurde hij het 21st, vooral bestaande uit Afrikanen, in de heuvels om de omgeving te verkennen. Die nacht liepen ze recht in de armen van het Zululeger. Dankzij de nacht konden ze niet vaststellen wat de getallensterkte van het Zululeger was en toen gingen ze snel verslag uitbrengen aan Chelmsford.
Het bericht bereikte hem omstreeks 2 uur in de ochtend van 23 januari. Alles bleek zoals hij verwacht had. Net zoals de Xhosa's zou het Zululeger de rechtstreekse confrontatie vermijden en bovendien vechten in een terrein dat de Britten niet goed lag.
Chelmsford wou geen enkele kans nemen en gaf het bevel om meteen het Zulu kamp aan te vallen met het 2/24th Battallion. Zijn bedoeling was om bij verrassing het kamp aan te vallen bij zonsopgang alvorens de Zulu's op de vlucht zouden slaan. Het 1/24th moest het kamp bewaken terwijl een tweede invasiegolf hem zou volgen.
Het kamp was onder bevel van Lt. Col. Henry Pulleine, een man dat voor het eerst troepen onder zijn bevel kreeg. Iedereen verwachtte dat de slag zou ondernomen worden door de opperbevelhebber, Chelmsford zelf.
De ondersteunende troepen arriveerden in Isandlwana om 10.30 op 22 januari, onder het bevel van Brevet Colonel Anthony Durnford, een Royal Engineer met een jarenlange koloniale ervaring in Natal en die één arm niet meer kon gebruiken na een schermutseling in 1873. Durnford wou dit keer bewijzen wat hij waard was. Hij had gezien dat een groot aantal Zulu's zich verschansten op de iNyoni heuvelrug na het vertrek van Chelmsford, en dit in de tegenovergestelde richting waar Chelmsford hen ging zoeken. Durnford nam de beslissing om met 500 man de iNyoni heuvels de inspecteren. Polleine ging op zijn beurt akkoord met de actie van Dunford.
Durnford ging omstreeks 11.30 het kamp uit en gaf Lieutenants Roberts en Raw het bevel om met de helft van de troepen de heuvelrug te verkennen en zodoende de Zulu's te misleiden en weg te leiden van Chelmsford en het kamp.
Dunford had geen zicht over wat er zich afspeelde achter de heuvelrug. Raw en Roberts gingen intussen een groepje Zulu krijgers inhalen die in de verte verdwenen, uiteindelijk waren het herders die met hun vee de vlucht namen. Tijdens de achtervolging kwamen de troepen aan de Ngwebeni rivier dat in beneden in de vallei stroomde. Tot hun verbazing zagen ze het overgrote deel van het Zululeger.
De Zulu's hadden intussen op een effectieve manier het leger van Chelmsford misleid en hadden zicht van oNdini naar Isandlwana voortbewogen. Dat sterk staaltje krijgstactiek hadden ze in vier dagen geklaard door zo maar eventjes 40 tot 50 mijl te overbruggen en zich te verschansen in de Siphezi bergen, waar de Britten hen nauwelijks konden opmerken. Wat Chelmsford eigenijk zag in de avond van 21 januari waren Zulu troepen van plaatselijke chiefs die op weg waren naar het grote Zulu Impi. Intussen had het Zulu leger zich geruisloos naderbij het kamp bewogen en terwijl Chelmsford naar hen zocht op de rechterflank.
Met wat geluk had het Zulu leger een wig gebracht in het leger van Chelmsford, de Zulu bevelhebbers, Ntshingwayo kaMahole Khoza, een van de konings meest betrouwbare raadgevers, en Mavumengwana kaNdlela Ntuli - waren uiteindelijk niet meer zeker wat verder te ondernemen.
King Cetshwayo hoopte tenslotte tot op de laatste minuut om met de Britten te onderhandelen alvorens tot de aanval over te gaan. Bovendien was de komende nacht van 22/23 januari de nacht van de nieuwe maan, een tijd waarin donkere krachten dichtbij de levenden staan. Een eventuele aanval zou paniek kunnen zaaien onder de Zulu manschappen. Het Zulu leger had de vorige nacht in Ngwebeni geruisloos gerust zonder enig kampvuur.
Op een gegeven moment op 22 januari, het geluid van schermutselingen in de verte met Lord Chelmsford nabij Mangeni, bracht een van de ambutho's heel dicht bij het kamp. Dit werd opgemerkt door Pulleine in het kamp. Het regiment keerde terug naar het kamp maar toen Raw's mannen op de heuvelrug van Mabaso verschenen was het voor de Zulu krijgers meteen duidelijk dat ze tot de confrontatie moesten overgaan.
Het regiment aan de voet van de heuvel, de uKhandempemvu, sprong op en ging op Raw's manschappen af. De Zulu regimenten naast hen werden heel enthousiast en gingen ook meteen tot de aanval over. Er was zelfs geen tijd meer om de gebruikelijk rituelen te doen noch te tijd voor de bevelhebbers om instructies te geven. Het enige wat Ntshingwayo kon doen was het tegenhouden van de koninklijke regimenten nabij oNdini - de uThulwana en zijn amabutho - het verst gelegerd van het Britse kamp vormde zich om tot een reserve eenheid.
Het Zulu leger verspreide zich over de vallei. Raw en Roberts stopten en gingen meteen over tot het geven van geregelde salvo's terwijl de Zulu's overgingen tot hun bekende 'chest and horns' tactiek.
Nieuws over de aanval bereikte Pulleine en Durnford. Beiden konden niet geloven dat het om een groot Zulu leger zou gaan daar ze in ongeloof waren dat Chelmsford niet in confrontatie met hen gekomen was. Durnford was vier mijl ver uit het kamp en kon niets van de gevechten zien. Plotseling stond hij oog in oog met een paar duizend krijgers, de linker hoorn, bestaande uit de uVe en iNgobamakhosi amabutho. Durnford liet zijn mannen in lijn opstellen in de hoop om schietend naar het kamp toe te bewegen.
Intussen had Pulleine 1 compagnie naar de heuvels gestuurd om Durnford te helpen. Nog steeds ging Pulleine de getalsterkte van de Zulu's onderschatten en hij zond nogmaals een compagnie naar de heuvels waar hij overigens niets van de slag kon zien. Pas toen de Zulu 'chest' van de uKhandempemvu en uMbonambi amabutho op de heuvelrug verschenen, begon hij in te zien dat zijn beide compagnieën van elkaar zouden afgesneden worden. Bijgevolg stuurde hij twee lichte artilleriestukken (7 pounder kanonnen). Op die manier kon hij de troepen van Raw en Roberts in 1 lijn opstellen. Meer dan waarschijnlijk stonden er 700 'redcoats' of 'roodjassen' in 1 lijn naast elkaar, een strategie dat zijn nut bewezen had in de Kaapse Grensoorlogen. Niemand zou geloven dat de Zulu's geen angst zouden vertonen voor de geweersalvo's.
De Britse troepen van Durnford en Pulleine hadden zich verenigd en op een bepaald moment stonden er misschien wel 1300 roodjassen op één rij over een afstand van meer dan twee mijl tegenover een Zulu leger dat massaal in de meerderheid was, 10 tegen 1 !!
Voor een tijdje was de Britse opstelling voldoende om de Zulu's tegen te houden. Aan de Britse rechterflank vonden de troepen van Durnford een riviertje dat ze konden gebruiken als loopgracht. Het Zulu regiment dat hen aankeek, de uVe, het jongste leger - ging tegen de grond terwijl ze één voor één het geweervuur inliepen. Het oudere Zulu leger en linkervleugel, de iNgobamakhosi kon slechts meter per meter vooruitgang maken door zich in het lange gras te laten neervallen. In het centrum waar het uMbonambi en uKhandempemvu het zwaar te verduren kreeg tegen de artillerie liep de aanval vast. Zulu taligen in het Britse kamp konden horen hoe de Zulu izinduna hun mannen aanvuurden door het schreeuwen van 'Moya!' wat 'wind' betekend en “Nqaka amatshe!” - “vang de hagelstenen” , Daarinboven werd de koningsgezinde kreet - “uSuthu!” geschreeuwd.
Het geschreeuw werd gedurende twintig tot dertig minuten aangehouden. Op sommige plaatsen leek het erop dat de Zulu aanval zou uit elkaar vallen, op dit moment stuurde Ntshingwayo de izinduna vanaf de heuvelrug. De daaropvolgende minuten viel het Britse defensief uit elkaar. Het begon met de troepen van Durnford die zonder munitie kwamen te staan. Durnford gaf toen het bevel om het kamp te verlaten. De linker hoorn van het Zulu leger had de Britse flank verzwakt. Durnford en Pulleine gaven het bevel om zich terug te trekken naar het kamp en de lange lijn op de geven.
De Britse positie viel volledig uit elkaar terwijl de manschappen het kamp probeerden te bereiken terwijl de Zulu's de achtervolging inzetten. Er zat toen niks anders meer op, aangezien de Britse troepen zich niet meer konden herenigen, om man tot man gevechten te doen.
Overlevenden die probeerden te vluchten in de vallei van de Manzimnyama rivier kwamen tot hun ontzetting te zien dat de rechter hoorn de weg naar Rorke's Drift afgesloten had en de Zulu's op weg waren om het kamp in de rug aan te vallen.
Nog even konden de Britten weerstand bieden tot hun munitie op raakte. De Britten stonden toen rug aan rug met de bajonet op het geweer. Tenminste 1 compagnie was over de heuvelrug terug gedreven en ging het gevecht aan in de Manzimnyama vallei. De Britse soldaten konden helemaal niet ontsnappen en gingen zelfs gevechten aan met de geweerkolf, vuisten en ja, zelfs stenen. Als dit nog niet genoeg was toonde de natuur een eigen Apocalyps met een gedeeltelijke zonsverduistering.
Toen de slag begon waren er 1700 mannen in het Britse kamp, meer dan 1300 kwamen om.
Het verspillen van zoveel Zulu bloed vereiste een akelig reinigingsritueel door het opensnijden van de vijands buik om de ziel de kans te geven naar het hiernamaals te gaan. Iedere krijger die een man gedood had moest een kledingsstuk van de dode dragen tot ze de reiniginsceremonies ondergaan hadden. Misschien sneuvelden duizend Zulu's tijdens de gevechten en nog vele honderden zouden een gruwelijke dood sterven na de vewondingen van granaatscherven een zwaar kaliber kogels.
In de adrenaline rush van het gevecht doodden de Zulu's alles wat leefde in hun voorbijgaan. Honderden lijken lagen tussen karkassen van ossen, muilezels, paarden en zelfs honden.
De Zulu's namen alles mee wat bruikbaar was. Tegen de late namiddag zakte het Zulu leger af naar de Ngwebeni valley waar ze de dag begonnen waren. Vele krijgers werden achtergelaten met het schild over het gelaat. Pas maanden later zouden de Britten naar het slagveld komen om er de beenderen van de gevallen soldaten te begraven onder hopen stenen. Het zijn net die stenen die vandaag nog steeds de graven aanduiden.
En Lord Chelmsford? He kwam aan bij Mangeni, kort na zonsopgang de volgende morgen. Hij had de vorige dag zich beziggehouden met schermutselingen tussen hem en kleine groepjes Zulu krijgers in de heuvels richting Siphezi Bergen.
De geluiden van de slag kon hij niet horen en vanop 12 mijl afstand leek alles in het kamp rustig. Pas in de vroege namiddag begon hij in de gaten te krijgen dat er iets fout gegaan kon zijn in het kamp. Tegen de tijd dat hij zijn troepen verzamelde en de tocht naar Isandlwana aanvatte was het reeds valavond. De slag was al lang voorbij bij aankomst en hij kon net enkele groepjes Zulu's zijn verdwijnen over de iNyoni heuvels. Chelmsford’s manschappen bereikten het kamp bij nacht en vielen her en der over lijken. Het ergste moest nog komen want Chelmsford besefte maar al te goed dat de troepen die op zijn bevel achtergelaten waren op de heuvel nabij Rorke's Drift, 11 dagen na de invasie, op dat moment in gevecht waren met de Zulu's.














